Als je je bandenspanning op peil houdt heb je minder kans op scheuren in het rubber en op klapbanden bij warm weer. Daarnaast kan je door de juiste spanning er ook voor zorgen dat de rit een stuk comfortabeler is.
In de handleiding van de auto en op de autoband zelf kun je meer informatie vinden over de aanbevolen bandenspanning. Op het asfalt is het verstandig om je hieraan te houden, maar in het terrein kun je soms beter een lagere bandenspanning kiezen.
Lage bandenspanning = drijven op het zand
Dat komt omdat een hard opgepompte band veel minder contact maakt met de grond dan een slappe band. Op asfalt is dit prettig omdat het zorgt voor minder weerstand en daarmee een lager verbruik. Maar in zacht zand of op stenen wil je juist een groter contactoppervlak tussen de grond en de band. Hierdoor blijft de auto beter ‘drijven’ op het zand en heeft de band meer grip op de stenen.
Het prestatieverschil door de juiste luchtdruk is enorm. Je kunt gerust stellen dat een slappe wegband het veel beter zal doen in het zand dan een keihard opgepompte modderband.
Met onze modderbanden hielden wij daarom de volgende luchtdruk aan tijdens onze reis:
Asfalt: 3,5 bar
Gravel en stenen: 2,5 bar
Zand: 1,5 bar
Wanneer je vastzit in het zand of door hele zachte trajecten moet rijden is een zo laag mogelijke luchtdruk dus aan te raden. Toen we vastzaten in de Nefud woestijn in Saudi-Arabië, kwamen we met 0,5 bar in onze banden toch uit het zand. Daarna hebben we de banden direct weer iets verder opgepompt omdat een te lage bandenspanning ervoor kan zorgen dat de band van de velg loopt. Ook pompten we de banden zo snel mogelijk weer op als we terugkwamen op asfalt en hoge snelheden reden, want een slappe band kan op hoge snelheid klappen.
